Over de zin en onzin betreffende de loodlijn
Iedereen heeft de mond vol over de loodlijn en wat wel en niet goed zou zijn. De ‘Klassieken’, wie dat dan ook mogen zijn, worden overal bijgehaald om stellingen en meningen te bekrachtigen. Een beetje in de trend van ‘Uit de naam van God, of Allah’, alsof dan alles legitiem is en nergens meer aan te tornen valt.
Bepaalde stromingen hebben de rijkunst weten op te splitsen in twee richtingen:
- Zij die paarden achter de loodlijn rijden, de slechten
- Zij die paarden voor de loodlijn rijden, de goeden.
De slechten zijn meestal zij die de sport beoefenen en de goeden zijn zij die de ‘klassieke rijkunst’ beoefenen. De klassiek georiënteerde ruiters hebben het welzijn van het paard in een hoog vaandel staan en daarom is het rijden achter de loodlijn absoluut verboden. De sportruiters geven alleen om prestaties en commercie en passen de rollkür, LDR, hyperflexie en het rijden achter de loodlijn in algemene zin toe. Zij zijn daarom paardenmishandelaars.
Maar wacht even, is dit niet een beetje erg simpel geschetst? Is dit niet weer zo’n voorbeeld van polariseren, waar we in deze tijd erg goed in zijn, vooral in Nederland?
Opvallend is ook dat juist de mensen die hier het hoogste woord over voeren, zelden zelf ruiters of trainers zijn van een respectabel niveau. Het ontbreekt hun aan kennis en ervaring en ruitergevoel, maar toch denken ze dat zij de paardenwereld moeten vertellen hoe het allemaal in elkaar zit en hoe het moet. Maar waar baseren zij dat eigenlijk op? Aannames, bepaalde boeken die ze gelezen hebben, social media, napraten van anderen?
Ook opvallend is dat de mensen die hun hele leven al professioneel paarden trainen, weinig van zich laten horen. Interesseert het hun niet? Durven ze niet meer uit te leggen wat ze doen, uit angst voor de kritiek van de hiervoor genoemde groep? Of kunnen ze het niet uitleggen? Omdat ook bij hun de nodige kennis ontbreekt. Wat zij doen is gebaseerd op ervaring, gevoel en effectiviteit. Vinden zij paardenwelzijn dan niet belangrijk?
Het onderwerp ‘LOODLIJN’ en daarmee het hele onderwerp hoofd-halshouding, lijkt hiermee een enorm lastig onderwerp, gehuld in nevelen van meningen, pseudo-wetenschappelijke onderzoeken, fanatisme, kuddegedrag, aannames, onkunde en het vaak niet uit te leggen ruitergevoel. Toch hoeft dat niet zo te zijn!
Wanneer we alle vooroordelen, hokjes-denkerij, polarisatie en lekentaal even achter wegen laten, dan is het allemaal niet zo ingewikkeld. Zoals ik vaker schrijf, om iets in-gewikkelds simpel te maken, moet je het ont-wikkelen. Ont- wikkelen van alle ruis, dogma’s, aannames en overbodige ballast.
In dit blog ga ik eerst simpel uitéénzetten hoe de wervelkolom van een paard werkt, wat er voor die wervelkolom aan training nodig is om ons verantwoord te kunnen dragen en wat alle termen die we gebruiken omtrent de hals en de loodlijn werkelijk betekenen. Ook zal ik teruggrijpen naar de geschiedenis, om te laten zien dat dit soort discussies niet alleen van deze tijd zijn en dat er niet zoiets bestaat als ‘de klassieken’. Want ook vroeger waren er uitéénlopende ideeën over hoe je een paard zou moeten trainen. Het is dus maar net naar welke periode, welk land en welk individu je kijkt. Over één ding waren ze het uiteindelijk vroeger allemaal wel eens, maar dat zal later aan de orde komen.
De anatomie van de wervelkolom
Laten we eerst eens kijken naar de anatomie en de bio-mechaniek van de wervelkolom, voordat we rij-technisch verder op dit onderwerp ingaan, want daar liggen de antwoorden.
De hals
De hals bestaat uit 7 cervicale wervels. C1 tot en met C7. C1 zit vast aan het hoofd en C7 zit vast aan de borstkas, aan de eerste borstwervel. Deze connectie noemen we CTO (cervi-thoracale overgang). De overgang van hals naar borst.
De borst
De borst bestaat uit 18 thoracale wervels. T1 tot en met T18. T1 zit vast aan C7 en T18 zit vast aan de lenden, aan de eerste lumbale wervel, L1. Deze connectie noemen we TLO (thoraco-lumbale overgang). De overgang van borstkas naar lendenen.
De lendenen
De lendenen bestaan uit 6 lumbale wervel. L1 tot en met L6. L1 zit vast aan T18 en L6 zit vast aan het sacrum. Deze connectie noemen we LSO (lumbo-sacrale overgang). De overgang van de lendenen naar het sacrum (heiligbeen).
Het sacrum
Het sacrum bestaat uit 5 vergroeide sacrale wervels en is dus één vast geheel. Het sacrum zit vast aan L6 en aan de eerste staartwervel, Cy1. Deze connectie noemen we SCO (sacro-coccygeale overgang).
De staart
De staart bestaat uit 15 tot 21 coccygeale wervels. Cy1 tot en met Cy15-21. De staart zit vast aan het sacrum met Cy1. Deze connectie wordt SCO genoemd.
Belangrijke spiergroepen
De halsspieren
De borstspieren
De rugspieren
De buikspieren
De psoasspieren
Bewegelijkheid van de hals
C0-C1
Tussen C0 (Occiput) en C1 (Atlas) zit gemiddeld een Range of Motion (ROM) van 15 – 20 graden flexie (hals buigen naar beneden) en 15-20 graden extensie (hals strekken omhoog). De zijwaartse buiging (lateroflexie) is zeer beperkt, ongeveer 5 graden en rotatie is nog minder.
C1-C2
Tussen C1 (Atlas) en C2 (Axis) vindt vooral rotatie plaats, het draaien van het hoofd, als tijdens ‘nee’ schudden. Dit is per kant ongeveer 25-30 graden, dus 50-60 graden in totaal. Flexie – extensie in minimaal mogelijk, zo ook lateroflexie.
C2-C3
Tussen C2 en C3 vindt voornamelijk lateroflexie en flexie-extensie plaats, ongeveer 10-15 graden. Lateroflexie ook ongeveer 10-15 graden en rotatie beperkt. C2-C3 is het begin van de zijwaartse buiging en de souplesse in de hals die verder naar achteren door gaat.
C3-C4
Tussen C3 en C4 vindt voornamelijk lateroflexie en flexie-extensie plaats, ongeveer 10-15 graden. Lateroflexie ook ongeveer 10-15 graden en rotatie beperkt. Vanaf C3 spreken we over de middelste gedeelde van de hals en de hals is hier het meest flexibel. Verder naar achteren toe, richting de borst, neemt de beweeglijkheid langzaam weer af.
- Deze regio is belangrijk voor stelling, buiging en lengtebuiging van de hals.
- De beweging is vloeiender dan in de hogere gewrichten, maar verdeeld over meerdere segmenten.
C4-C5
Tussen C4 en C5 vindt voornamelijk lateroflexie en flexie-extensie plaats, ongeveer 10-12 graden. Lateroflexie ook ongeveer 10-12 graden en rotatie beperkt.
- Beweegt mee met de rest van de hals bij zijwaartse buiging en lengtebuiging.
- Heeft een dragende en stabiliserende rol, vooral bij beweging van het hoofd-halscomplex.
- Beperkingen hier kunnen leiden tot compensatie hoger of lager in de hals, met effect op aanleuning of rechtrichten.
- In het algemeen neemt de rotatiecapaciteit af naarmate je verder caudaal gaat (richting schoft), terwijl flexie/extensie en lateroflexie over meerdere segmenten vloeiend verdeeld zijn.
C5-C6
Tussen C5 en C6 vindt voornamelijk lateroflexie en flexie-extensie plaats, ongeveer 8-10 graden. Lateroflexie ook ongeveer 8-10 graden en rotatie beperkt. Hier zien dus de beweeglijkheid nog iets meer afnemen. We noemen dit het achterste gedeelte van de hals, de caudale hals, het gebied waar we veel problemen zien.
- Draagt bij aan de overgang tussen mobiliteit van de hals en de stabiliteit van de borstkas.
- In dit gebied komen ook belangrijke zenuwen en bloedvaten samen (bijv. plexus brachialis), waardoor spanning of blokkades hier soms neurologische symptomen kunnen veroorzaken.
- Veel gebruikt bij rijtechniek, vooral bij buiging en stelling — problemen hier kunnen leiden tot aanleuning- of andere rijtechnische problemen.
Dit segment is gevoelig voor artrose of blokkades, vooral bij oudere paarden of bij paarden met verkeerde belasting in de training.
C6-C7
Tussen C6 en C7 vindt voornamelijk lateroflexie en flexie-extensie plaats, ongeveer 5-8 graden. Lateroflexie ook ongeveer 5-8 graden en rotatie beperkt. Hier zien dus de beweeglijkheid nog iets meer afnemen. We noemen dit het achterste gedeelte van de hals, de caudale hals, het gebied waar we veel problemen zien.
- Dit segment is veel minder mobiel dan de hogere delen van de hals. Het dient eerder als steunpunt dan als bewegingssegment.
- Dit gebied is biomechanisch en klinisch relevant:
- Spanning of blokkade hier kan invloed hebben op de beenbeweging
- Vaak geassocieerd met neurologische klachten of beperkte schoudervrijheid
- Regelmatig oorzaak bij paarden met houdings-, bewegings- of aanleuningsproblemen.
C7-T1
De overgang tussen C7 en T1 (de laatste halswervel en de eerste borstwervel) is een kritisch scharnierpunt bij het paard, waar de relatief soepele hals overgaat in het stijvere thoracale (borst)gedeelte van de wervelkolom.
Tussen C7 en T1 vindt voornamelijk lateroflexie en flexie-extensie plaats, ongeveer 5-7 graden. Lateroflexie ook ongeveer 5-7 graden en rotatie beperkt. Hier zien dus de beweeglijkheid nog meer afnemen.
- Door de aansluiting op de ribben en borstkas is de beweging hier sterk beperkt, vooral vergeleken met de hogere halswervels.
- Belangrijk bij houding, verzameling en oprichting
- Stoornissen hier kunnen zich uiten als:
- Problemen met aanleuning
- Verminderde schoudervrijheid
- Moeite met buiging of rechtrichten
- Kreupelheid
- Pijn, staken
- Stoornissen hier kunnen zich uiten als:
De bewegingen zijn gedeeld over meerdere segmenten, dus totale halsbeweging is veel groter dan per segment.
De meeste rotatie zit in C1–C2, en meeste flexie/extensie in C0–C3.
Richting C6–T1 wordt de hals stijver en dragender, minder beweeglijk.
LET OP: De bovengenoemde graden zijn indicatief. Het verschilt enorm per, ras, exterieur, mate van getraindheid, oftwel per individu. Er zijn geen duidelijk vaste waarden te geven voor de ROM in de wervelkolom. Uitkomsten uit verschillende onderzoeken lopen daarom ook sterk uitéén qua uitkomst.
Bewegelijkheid van de borst
Borstwervelkolom (T1–T18)
Absolute bewegelijkheid
Tussen alle wervels uit de borst zit bewegelijkheid. Per wervel is die bewegelijkheid gering, maar over de hele lengte van 18 wervels is de totale bewegelijkheid aanzienlijk. De borstwervels kunnen ten opzichte van elkaar de volgende bewegingen maken:
- Flexie- extensie
- Lateroflexie
- Rotatie
- Beweging is het kleinst in het midden van de borstkas (T9–T14), waar de ribben stevig zijn verbonden. Toch zorgt de flexibiliteit van de ribben en het kraakbeen voor de nodige bewegelijkheid.
- Beweging is het grootst aan het einde van de borstkas, waar de ribben aan de onderkant niet meer aan het borstbeen vast zitten.
Relatieve bewegelijkheid
De borstkas als geheel kan ook bewegen ten opzichte van de voorbenen. Aangezien er geen benige verbinding is tussen borstkas en schouderbladen, is er veel bewegelijkheid mogelijk. Dit is goed te zien tijdens met springen van hindernissen en dan met name tijdens de landing. De borst ‘hangt’ tussen de schouderbladen met spieren en peesplaten, fascia, pezen en ligamenten, zowel aan de onderkant als rondom de gehele borstkas.
Borstkas een statisch geheel is misvatting
Door bepaalde schrijvers en lieden die pretenderen iets van anatomie en biomechanica te weten, wordt beweerd dat de borstkas een statisch geheel is. Er zou geen flexie-extensie, lateroflexie en rotatie plaats kunnen vinden. Uiteraard is dit grote onzin en dit is ook simpel aan te tonen wanneer men het paard neerwaarts of opzij laat buigen met bijvoorbeeld een wortel of wanneer men met iets scherps onder het borstbeen prikt. Sterker nog, een paard zou niet eens kunnen ademen, wanneer er geen beweging in de borstkas zit. Uiteraard speelt de beweeglijkheid van de borstwervels een belangrijke rol tijdens zijgangen, verzameling, galop en tijden het springen.
Bewegelijkheid van de lendenen
De bewegelijkheid van de lendenwervelkolom (L1–L6) bij het paard is belangrijk voor buiging, strekking en draagkracht, vooral tijdens verzameling, galop en sprongen.
Tussen L6 en het sacrum (lumbosacrale overgang) is de meeste beweging mogelijk
- Flexie/extensie is essentieel voor onderbrengen van de achterhand en krachtopbouw.
- Rotatie is zeer beperkt, maar kan relevant zijn bij asymmetrische belasting.
- Lateroflexie is beperkt, vanwege de dwarsuitsteeksels van de wervellichamen.
- Tijdens verzameling en galop wordt de lendenwervelkolom dynamisch gebruikt om kracht over te brengen van de achterbenen.
De beweeglijkheid van de lendenen en het bekken staan in direct verband met de bewegelijkheid van de hals en de borst. Een stijve hals en slecht hals gebruik veroorzaken uiteindelijk ook stijve lendenen.
Definiëren
Nu dat we de anatomie en de beweeglijkheid van de hals en de rest van de wervelkolom kennen, gaan we eens kijken wat nu eigenlijk bepaalde termen betekenen. Want veel verschillende termen worden onder één noemer gebruikt en mensen gebruiken termen maar, zonder te weten wat ze echt betekenen. En we kunnen überhaupt geen discussie voeren over onderwerpen die niet duidelijk gedefinieerd zijn. In de paardensport worden de termen Rond, Rollkür, achter de loodlijn, hyperflexie en LDR door elkaar heen gebruikt. Dus laten we eerst eens uitéénzetten wat een en ander nu werkelijk betekent.
Loodlijn
De loodlijn is een denkbeeldige verticale lijn die je trekt van het hoofd van het paard recht naar beneden, meestal vanaf het voorhoofd richting de grond.
Hyperflexie
Definitie: Hyperflexie is een anatomische term die verwijst naar een overmatige buiging van een gewricht verder dan de normale fysiologische grens. In de paardensport doelt men met deze term op de hyperflexie tussen C0-C1.
Bij langdurige of geforceerde hyperflexie....................................................................
DOWNLOAD HET GRATIS E-BOOK
Dit verhaal is 29 pagina's lang en daarom verwerkt tot een E-book. Wil je het hele verhaal lezen? Inclusief foto's, afbeeldingen, conclusies en nuttige inzichten?
DOWNLOAD DAN HET GRATIS E-BOOK VAN 29 PAGINA'S HIER: